Kijken naar kunst

 

Kijken naar Kunst

Start van wetenschappelijk onderzoek naar de Esthetische Kijk-tijd Coëfficiënt. 

Toespraak bij gelegenheid van de opening van de Blaricumse atelieroute

26 september 2014

 

 

Beste Blaricummers,

 

Een klein half jaar geleden vroeg Jan Min mij voor de eervolle klus om de tienjarige Blaricumse atelierroute te openen.
Ik maakte een opzet voor mijn inleiding.
Twee maanden geleden dreigde vakantieplannen akelig dicht bij deze datum te komen (gisteren ben ik teruggekeerd), maar, erger nog, belangrijke ontwikkelingen die de aard van mijn betoog ernstig zouden kunnen beïnvloeden, zouden zich net tijdens mijn afwezigheid kunnen aandienen.
En deden dat ook, zo bleek bij het openen van mijn mail gisteravond laat.
Van een gezellige opening van een kwalitatief hoogwaardig maar lokaal kunstzinnig gebeuren, wordt uw atelierroute een mondiaal manifest moment, zeg maar keerpunt,  in de wetenschappelijke weging van esthetisch genieten.
Ik zal dat later uiteraard uitleggen.

 

Mijn tekst behoefde amendering en kreeg daardoor een hybride karakter. Een deel ervan kon ik laten staan. Het schokkende nieuws diende echter ook zijn plek te krijgen en, als gevolg daarvan, moesten andere aandachtspunten verdwijnen.

Ik begin met de oorspronkelijke tekst en zal u aangeven waar de aangepast versie wordt ingevoegd.

Uit de oude tekst:

 

Titel: Kijken naar Kunst

Scan000c

“Ongeveer tien minuten” had Jan gezegd. Met 30 exposanten is dat 20 seconden per tentoonsteller; een schoffering voor betrokkenen en onbegonnen werk voor mij.
Dus besloot ik om het meer “algemeen” te houden, met wat losse brokjes over kijktijd, het taalloze karakter van beeldende kunst en uw lokale kunsteducatieve missie. Ze zouden later samenvallen tot een min of meer consistent verhaal, vanuit een wat afwijkend perspectief.

Dat ging dus nu anders.

De introducerende beelden die net langskwamen en de inleiding van Jan waren de opmaat naar mijn verhaal, dat overigens iets langer gaat duren dan die 10 minuten. Maar het vet onder de bitterballen kan aan blijven zonder kans op verkolen.

Wat hebben musici het toch makkelijk.
Stel je heet Gustav Mahler en je hebt een symfonie gemaakt. Alles wat je moet doen om de compositie onder de aandacht van het publiek te brengen is een orkest regelen dat het wil instuderen en uitvoeren en een zaal waar dat kan plaatsvinden. De logistiek laat je bij voorkeur aan anderen over.
En bij de première is je publiek gedwongen anderhalf uur stil te zitten en het aangebodene te savoureren. Mooi of niet mooi, weglopen is er niet bij.
Anderhalf uur aandacht voor jouw schepping.

Net als de theatermakers en de dansers krijgen de musici de factor aandacht-tijd zomaar in de schoot geworpen. De volgtijdelijkheid van de artistieke gebeurtenis dwingt hun publiek zolang te kijken/luisteren als de voorstelling duurt. De theoretische mogelijkheid om halverwege Mahler weglopen heeft een dusdanig  bruuskerend karakter dat ik dat even buiten beschouwing laat.

En wat stelt beeldende kunst daartegenover?
Als er een correlatie bestaat tussen de tijd dat iemand naar een schilderij kijkt en de ervaren beeldende kwaliteit ervan (en waarom zou die relatie er niet zijn?), is het mooiste kunstwerk van het Stedelijk Museum (in oude setting) de grote collage van Matisse de parkiet en de zeemeermin, vóór de verbouwing in de zaal direct links bovenaan de trap.

 

Toevalligerwijs stond de enige acceptabele zitgelegenheid van de bovenetage in dìe zaal, voor dàt schilderij. De uitrustplek bij uitstek voor afgepeigerde museumbezoekers.
Hoezeer kan een comfortabele bank de statistieken rond esthetische beleving beïnvloeden.

In de opmaat naar deze opening heb ik u laten kijken naar het werk van alle exposanten. Eerst elke afbeelding 20 seconden, toen een tweede cyclus van 7 seconden.
Hoeveel tijd hadden we nodig om het gevoel te krijgen dat we genoeg gezien hadden. 20 of 7 seconden?

Hoeveel tijd neemt de gemiddelde beschouwer om de Nachtwacht te bekijken?  D.w.z  zonder de uitleg van een ingehuurde gids die hem dwingt die spreektijd al kijkend voor het schilderij vol te maken.
We hebben het dan toch over het topstuk van het museum waarvoor menig toerist speciaal het museum bezoekt.

 

Een Mona Lisa-effect:  zo van …. dit is beroemd dus zal het wel mooi gevonden moeten worden?

Scan000b

Ik kon daarom niet nalaten om deze aardige observatie vanuit Mona zelf, met zicht op haar bewonderaars, als een ankerpunt van mijn verhaal aan te bieden. Bij mijn weten is dit de enige getuigenis van de factor aandacht voor kunst …. vanuit het kunstwerk zelf.

Een spannende observatie… vraag na afloop van dit weekend tijdens een intiem moment met uw eigen werk eens hoe het de aandacht voor de eigen picturale kwaliteiten heeft ervaren. Wel doen natuurlijk voordat alle kopers uw werk hebben meegenomen en zo’n interview daardoor verder onmogelijk wordt.

Beeld werkt niet volgtijdelijk. Het krijgt zelden een tweede kans om een eerste indruk te maken. En dat terwijl dat wèl de bedoeling is, zeker van de maker. Of misschien moet ik zeggen een eerste kans om een tweede indruk te maken, een eerste kans om een derde, een vierde…..
Kijk en daar zijn die musici nu weer jaloers op òns: je kunt niet de hele dag Mahler opzetten (neem ik aan), maar wel de hele dag een mooi schilderij in je kamer gedogen.
Een kunstwerk kan je zo veel doen dat je het koopt en daarna zoveel mogelijk in je optische nabijheid wilt hebben.

Je kunt niet de hele dag de opgenomen kindergeluiden van je 4 jarige kleindochter via je geluidsinstallatie aanhoren, maar je gedoogt wèl haar foto op je bureau.

Muziek is emotioneel misschien indringender. Daarom wèl muziek op een begrafenis… meestal geen schilderij. Hoewel, Fauré heeft toch een tiental maten nodig voordat de emoties van zijn Requiem optimaal worden geactiveerd en een recente afbeelding van de overleden oma met haar jongste kleinkind scoort sneller. Een beeld is immers duizend woorden waard. Muziek ontroert iets trager, misschien indringender en voorstellngsloos, op een abstract niveau. Beeld natuurlijk niet. Beeld is zeer concreet. Mondriaans Boogie Woogie is, althans binnen deze context, geen tranentrekker.

Als u nu dit weekend even ontsnapt aan uw eigen atelier en de ronde maakt langs uw 29 collega’s, betrap u er zichzelf dan eens op dat de psychologie van uw eigen kijken veelal tot slechts korte confrontaties aanleiding geeft. Confrontaties die vaker in seconden dan minuten uit te drukken zullen zijn.
U hoeft u zich daarvoor niet te generen (Hoewel na deze tekst niemand straks meer snel langs de werken zal durven lopen…. dat heb ik dan bereikt …….) Maar niet overal staan gemakkelijke zitgelegenheden om de kijktijd op te krikken. Klok eens die gemiddelde kijktijd bij een paar collega’s.

Bij mijn weten is nog nooit een van de 4000 Nederlandse werkeloze doctorandi kunstgeschiedenis op het idee gekomen om een proefschrift te wijden aan de relatie tussen kijktijd en de esthetische kwaliteit van het bekekene.

Hoe aardig zou dat zijn.

En nu komt de nieuwe tekst, afgedwongen door zeer recente ontwikkelingen. Houdt u vast !

Want….

Aan de kunsttheoretische faculteit van Leuven is onder leiding van professor Draulans een project gestart dat de relatie tussen kijktijd en esthetisch genoegen in kaart wil brengen. De EKTC (Esthetische KijkTijd Coëfficiënt) wordt een mondiale maatstaf voor picturaal esthetisch beleven.

Dit onderzoek behoeft een nul-meting. Een ijkpunt voor het wetenschappelijke kader. Een cluster van hooggeleerde estheten, gedragswetenschappers, kunstonderzoekers, optometristen en wat niet meer wenselijk is om dit tot een solide norm te maken is ingebracht. Een circuit van kunstpedagogen is gevraagd suggesties te doen voor gelegenheden waar dit kijkonderzoek geïnitieerd zou kunnen worden.
In al mijn onbevangenheid heb ik uw atelierroute daarvoor in april aangemeld.
Eind juni kreeg ik bericht dat Blaricum tot de longlist was doorgedrongen en ik werd best een beetje nerveus toen, vlak voor mijn vakantie bleek dat uw ook op de shortlist terecht was gekomen. Samen met een zandstrandbeeldhouwmanifestatie in Brazilië, een vernissage van de Picasso-expositie in het MoMa in New York (morgen) en een macramé-expositie in Binnen Mongolië.

Gisteren, terug van vakantie, bleek dat Blaricum de plek zou worden van het experiment.

Oei.

Als tovenaarsleerling bezag ik het onstuitbare proces dat ik teweeg had gebracht.

Terwijl u hier zit worden nu in het geheim op alle locaties kleine camera’s gemonteerd in één van uw kunstwerken. Ook voor u onzichtbaar. Die staan morgen en overmorgen aan. Mistery Guests, in de vorm van vier betrokken Leuvense promovendi lopen de exposities af als nul-meting voor de nul-meting. Met kan wetenschappelijk niet zorgvuldig genoeg zijn.

De resultaten van dit onderzoek zullen in November worden gepubliceerd in het gerenommeerde Journal for Looking. Uiteindelijk zal dit resulteren in de BS, de Blaricum Standaard, gekoppeld aan de EKTC, de Esthetische Kijk Tijd Coëfficiënt.

In de oude tekst had ik nu een passage over het taalloze karakter van beeldende kunst.
Hartstikke boeiend en goed voor tenminste 10 minuten extra. Maar de bitterballen mogen niet verkolen.
Ik sla dat allemaal over.

Ook had ik iets over uw kunstpedagogische missie op lokaal niveau willen zeggen, uw eigen leertraject, de kwaliteit van de picturale integriteit die uw werk onderscheid van kitsch. Allemaal niet.
Te veel.

Mona Lisa maakt bij mij weinig emoties los. Elk portret van Rembrandt of Bellini of Dumas doet mij meer. Subjectief begrijp ik het gedoe om dit kunstwerk nauwelijks. Gevaarlijke uitspraak van iemand die toch professioneel met kunst bezig is.
Iets mooi of niet mooi vinden mag altijd. Maar als het beeldende proces deugt is er ook sprake van picturale integriteit, uitdagend de grenzen van de eigen beeldende mogelijkheden opzoeken. Zonder dat resteert kitsch.
De kijktijd verschrompelt dan tot de paar seconden die nodig zijn om dat te constateren.

26 september zal in de kunstwereld nooit meer hetzelfde zijn: de verjaardag van de Blaricum-Standaard (BS), icoon voor het esthetisch beleven.
De Esthetische KijkTijd Coëfficiënt (EKTC) is een wetenschappelijke maatstaf voor picturale emoties. De BS haar ijkpunt.

Blaricummers, weet u bewust van uw missie en straks genereus met het afstaan van beeldrechten aan het Journal of Looking.

 

Mij was gevraagd de atelierroute 2014 te openen, hetgeen ik bij deze gedaan heb. 

 

Maarten Tamsma

 

 

 

 

gevaarlijke mist voor onze docentenopleidingen (2011)

over het rapport van de Commissie Dijkgraaf (2010) en het vervolg daarop

(Kunstzone november 2011)

 

“…….In juni 2010 heb ik deze nota gelezen, als belangstellende en door de wol geverfde outsider, gespinsd op beleidsadviezen inzake de KunstVakDocentenOpleidingen (KVDO’s in de rest van dit artikel). Ik kwam toen tot de conclusie dat de nota weinig interessants voor de docentenopleidingen bevatte. Er worden voornamelijk open deuren ingetrapt en specifieke eigenheden van deze sector over het hoofd gezien. Dus: “laat maar”.

Echter: gedateerd 4 april 2011, wijdde staatssecretaris Zijlstra, in het kader van een antwoord aan de kamer over de Bachelor/Master-problematiek van onze opleidingen, een dikke alinea aan de beleidsadviezen van de Commissie Dijkgraaf. ‘Hogescholen zullen zich (…) focussen op de conclusies die kunnen/moeten worden getrokken uit de toekomst gerichte analyse van de Commissie Dijkgraaf, de inhoudelijke vertaling daarvan in het sectorplan kunstonderwijs en de uitkomsten van de bestuurlijke en politieke discussie daarover ….

De ogen uitgewreven en de publicatie nog maar eens uit de kast gehaald. Weer gelezen. Met dezelfde conclusie.

Er staat ons nog wat te wachten als de staatssecretaris uit deze dunne passages verbetertrajecten wil destilleren voor onze docentenopleidingen… …”

Lees verdergevaarlijke mist voor onze docentenopleidingen

 

 

 

 

“waarom…? daarom!” (2003)

 

Een terreinverkenning van het vakgebied beeldcultuur (2003)

 

Uit de inleiding:  

……In de kring van het Informeel Inhoudelijk Overleg van Eerstegraads Lerarenopleidingen Beeldend, een reguliere samenkomst van vakdidactici en studieleiders, zoemde er midden jaren negentig een gedachtewisseling rond over het ontbreken van een basisdocument waaraan de beeldende vakken hun bestaansrecht binnen het onderwijs zouden kunnen ontlenen.

Met name Nolleke de Bekker ijverde voor zo´n tekst, die, geruggensteund door deskundigen van andere disciplines, ons vak een algemeen geaccepteerde status zou moeten geven. Andere schoolvakken, met een universitaire en dus wetenschappelijke achterban, zouden op dat punt een jaloersmakende voorsprong op ons hebben.

Wat kort door de bocht: dat konden wij (beeldende vakkers) niet op ons laten zitten en een artikel van Nolleke1 is de katalysator geweest voor een dispuut in jaargang 1999 van het Maandblad dat voor het bestuur van de NVTO aanleiding werd om een bijeenkomst met vaknotabelen te organiseren. Deze vond plaats op 15 februari (Zie verslag Maandblad 2000 nr. 3, blz. 10 e.v.) Er moest ‘iets’ gedaan worden, was de algemene mening. Deze constatering kwam als agendapunt terug op de jaarvergadering in juni 2000, waarin mandaat werd gegevenvoor een opzet waarbij twee commissies aan het werk werden gezet. De ene zou een inhoudelijk document maken over de positie van de beeldende vakken in het onderwijs. De andere zou zich bezig gaan houden met de implicaties van die tekst richting politiek, overlegorganen, ondersteuningsinstituten, schoolleiders, ouders, enzovoort, maar ook intern: opleidingen, vakcollega’s.

Oorspronkelijk was de bedoeling dat de tweede club al tijdens het werk van de eerste met haar activiteiten zou beginnen. In de praktijk bleek dat minder handig te zijn.De inhoudelijke commissie, in de wandelgangen later aangeduid als didactiek commissie, startte haar werkzaamheden in oktober 2000 en legde op 23 maart 2002 de eerste versie van het document voor aan een groep vakdeskundigen.

Bij de start van de werkzaamheden luidde de opdracht aan de commissie:

“…biedt een visiestuk aan over de vormende waarde van de beeldende vakken. Het stuk geeft zicht op de specifieke eigenheden van het vakgebied in relatie tot het pedagogisch handelen: het benoemen van de kern van de specifieke (beeldende) eigenheden van ons vakgebied. Uitgangspunt dient te zijn de beeldende moederdiscipline (beeldende kunst en vormgeving), echter in het besef dat de eisen die het hedendaagse onderwijs stelt de samenhang tussen disciplines een geïntegreerd onderdeel van elk onderwijskundig handelen uitmaakt…”

…… lees verder 2003 Waarom … daarom

 

Leden van de didactiekcommissie, die in april 2003 het eindproduct aan de NVTO aanbood, waren Gerrit Dinsbach (secretaris), Folkert Haanstra, Diederik Schönau, Annelieke Stimm, Maarten Tamsma (voorzitter) en Frans Jozef Witteveen

 

Bachelors en Masters (1) (febr 2007)

Het eerste artikel in een reeks van vier waarin via Kunstzone het werkveld werd geïnformeerd over de gang van zaken rond de eerstegraads bevoegdheid van de kunstvakken.

“Steeds meer eisen in dezelfde studietijd kan niet met handhaving van de kwaliteit”. Een credo voor de eerste stappen in een lang traject dat zich tot anno nu zou gaan uitstrekken.

Het ProKuo-advies van 1999 (pleidooi voor vijfjarige docentenopleidingen) en de conversie van de eerste- en tweedegraads opleidingen komen aan de orde. De KVDO-problemen bij de installering van de profielschrijfgroep beeldend (de tweedegraads-opleidingen waren domweg vergeten), de dwarsliggende podiumkunsten, het niet valideren van de ongegradeerde Bachelor en het gebrek aan synchroniteit met de SBL-competenties illustreren het begin van de BaMa-problemen. Een sappige start van wat later een feuilleton zou worden.

Over Bachelors en Masters (1) (febr 2007)

 

Bachelors en Masters (2) (2008)

In Kunstzone 2/3 van jaargang 2007 gaf ik het werkveld een eerste overzicht van de weerbarstige gang van zaken rond de invoering van onze ongegradeerde Bachelor kunstvakdocenten. (‘over Bachelors en Masters’; tekst elders op deze webplek).

Een dik jaar later bleek een tweede versie wenselijk. Directe aanleiding was het gesprek van een NVTO-delegatie op het ministerie (29 januari 2008). De uitkomsten daarvan waren niet geruststellend. De NVTO moest zich maar tot de opleidingen en de NVAO wenden. Daar lagen de primaire verantwoordelijkheden. (Brief  Van Beijsterveldt dd. 10 maart 2008).

De NVTO schreef daarop alle opleidingen aan en de NVAO.

Dit tweede artikel gaat over de periode tot dat moment (zomer 2008)

Bachelors en Masters (2)

 

Symposium ‘Bericht aan een nieuwe generatie’ (alle teksten) (2007)

Bij mijn afscheid als studieleider van de ArtEZ docentenopleidingen BK&V werd op 30 juni 2007 een symposium georganiseerd onder de titel ‘bericht aan een nieuwe generatie’.

Na mijn inleiding kwamen achtereenvolgens Folkert Haanstra, Leontine Broekhuizen en Janeke Wienk, Frits Wielders en Sjoerd Schwibettus aan het woord, elk met een eigen visie op de toekomst van ons vakgebied.

Hier het complete symposiumverslag: symposium ‘Bericht aan de nieuwe generatie’ (2007)

 

Folkert Haanstra – Pleidooi voor stijlloosheid – Symposium juni 2007

Bij mijn afscheid als studieleider van de ArtEZ docentenopleidingen BK&V werd op 30 juni 2007 een symposium georganiseerd onder de titel ‘bericht aan een nieuwe generatie’.

Na mijn inleiding kwamen achtereenvolgens Folkert Haanstra, Leontine Broekhuizen en Janeke Wiens, Frits Wielders en Sjoerd Schwibettus aan het woord, elk met een eigen visie op de toekomst van ons vakgebied.

Hieronder de bijdrage van Folkert Haanstra

Folkert

Folkert Haanstra-Pleidooi voor stijlloosheid-symposium juni 2007

 

 

 

Frits Wielders – kwaliteit in cultuureducatie in het PostTamsma-tijdperk – symposium juni 2007

Bij mijn afscheid als studieleider van de ArtEZ docentenopleidingen BK&V werd op 30 juni 2007 een symposium georganiseerd onder de titel ‘bericht aan een nieuwe generatie’.

Na mijn inleiding kwamen achtereenvolgens Folkert Haanstra, Leontine Broekhuizen en Janeke Wiens, Frits Wielders en Sjoerd Schwibettus aan het woord, elk met een eigen visie op de toekomst van ons vakgebied.

 

Hieronder de bijdrage van Frits Wielders:

Frits

Frits Wielders- Kwaliteit in Cultuureducatie in het PostTamsma tijdperk – symposium 2007

de boekenkast van mijn vader – inleiding van het symposium ‘bericht aan een nieuwe generatie’ (2007)

Bij mijn afscheid als studieleider van de ArtEZ docentenopleidingen BK&V werd op 30 juni 2007 een symposium georganiseerd onder de titel ‘bericht aan een nieuwe generatie’.

Na mijn inleiding kwamen achtereenvolgens Folkert Haanstra, Leontine Broekhuizen en Janeke Wienk, Frits Wielders en Sjoerd Schwibettus aan het woord, elk met een eigen visie op de toekomst van ons vakgebied.

Ik sloot af met een eigen credo dat een carrière lang mijn handelen had bepaald. Wegens tijdgebrek werd die laatste presentatie ernstig ingekort, maar later in Kunstzone gepubliceerd.

Hieronder de eigen inleiding, een verkapt curriculum vitae over 35 jaren tekenen, beeldende vorming, beeldende kunst en vormgeving …… of onder welke vlag het bevorderen van beeldbekwaamheid van leerlingen ook gefunctioneerd mag hebben.

inleiding symposium ‘Bericht aan een nieuwe generatie’ (2007)